[Als je liever luister naar dit artikel, klik dan HIER]
 
Soms – eigenlijk vaker dan ‘soms’ – zoeken collega’s (psychosociale hulpverleners) me op om op verhaal te komen over hun werkcontext: een psychosociale werkcontext dus, zoals een CGG, een GGZ-instelling, een ziekenhuis, een deelwerking van een CAW, enz.
 
Ze proberen me dan uit te leggen, het zelf niet helemaal begrijpend (en toch misschien wel), dat er iets mis is, met dat werk.
 
Iets is niet oké.
Meer dan een beetje.
Iets maakt dat ze er onderdoor aan het gaan zijn.
 
 

Iets

Dat ‘iets’ is nooit 1 iets. Het is niet:
 
  • de baas of
  • die ene collega of
  • teveel cliënten of
  • te moeilijke cliënten.
 
Dat ‘iets’ is nooit het kern-werk: het werk zelf – een verschil proberen maken voor iemand in een kwetsbare positie in het leven – daar haalt men nog vitaminekes uit.
 
Hun vertellen gaat met horten en stoten.
Men heeft het over dit en over dat:
 
  • Een nare toestand op de teamvergadering.
  • Een anekdote over een contact met een collega.
  • De druk van de wachtlijsten.
  • Het juk van de administratieve verplichtingen.
  • Het moeten halen van een minimum aantal cliëntcontacten.
  • Alweer een hervorming.
  • Een nieuwe mode: ‘nu moeten we …’
 
Maar het is niet één van deze dingen.
Wat is ‘het’?
Ze kunnen er (soms) hun vinger niet goed opleggen.
 
(Naarmate de collega over en rond het ‘iets’ aan het vertellen is, wordt mijn lijf meestal gespannen, gaat mijn hart harder kloppen, ga ik me beklemd voelen. Laatst greep ik naar mijn hoofd.)
 
 

Té?

Nog iets: ze spreken kritisch over de werkcontext maar steeds ook doorspekken ze hun verhaal met zelf-kritische gedachten als
 
  • ‘ben ik te gevoelig?’
  • ‘ben ik niet soepel genoeg?’
  • ‘wat doe ik verkeerd?’
  • ‘ben ik te kritisch?’
  • ‘ben ik te zwak?’
  • ‘wat is er mis met mij?’
  • ‘ben ik ethisch overgevoelig?’
  • ‘ik voel me falen’
 
Ik denk daar dan 2 dingen bij:
 
  • Zelf-verwijtende gedachten maken het ons in het algemeen moeilijker om te kijken naar de rol van de context. Ze richten de blik naar binnen.
  • Wat gebeurt er in die werkcontext dat zulke zelf-verwijtende gedachten zo welig tieren?
 
Het gekke is: ik vind het steeds mooie mens-hulpverleners, die hun werk met hun hart, met respect en en zorg uitoefenen.
(Ik zou ze direct een baan aanbieden.)
Daarom schrik ik elke keer wanneer ik de zelf-neerhalende gedachten hoor.
 
 

Impact

Dat ‘iets’ heeft een grote, ingrijpende impact. Het geeft dingen als:
 
  • toenemende angst om naar het werk te gaan,
  • angst voor teamvergaderingen,
  • uitputting,
  • gespannenheid,
  • pijn,
  • misselijkheid,
  • het gevoel in een keurslijf opgesloten te zitten,
  • een gevoel van onveiligheid,
  • depressiviteit,
  • angstaanvallen,
  • (Soms – en dat vinden ze steeds het allerallerergst – voelen ze dat de intrinsieke bevrediging van het werk ook aan het wegglippen is.)
  • gevoelens van eenzaamheid
 
 

Toxische werkcontext

Ik kan er mijn vinger niet opleggen, op dat ‘iets’.
Sorry.
Zelfs niet na vele gesprekken met verschillende collega’s.
 
Steeds voel ik me bekommerd: ‘jij bent daar kapot aan het gaan’.
Steeds denk ik:
 
‘Jouw werkcontext is toxisch’.
 
Steeds ook het gevoel: ‘jij verdient het om in een omgeving te kunnen werken die ondersteunend is om dit belangrijke werk te kunnen doen. Om te bieden wat jij kan bieden.’
 
Mijn hart dat zo gaat kloppen, de gespannenheid die ik ervaar, de verontwaardiging, dat is mijn organisme dat tegen het toxische reageert dat ik aanvoel.
Dat is ‘ik’ die voel dat je je in zo’n omgeving niet anders kan gaan voelen dan klein, onwetend, onbekwaam, tekortschietend, verkrampt.
 
 

Weldoende werkcontext?

Ik weet ook van niet-toxische, zelfs weldoende werkomgevingen.
Het mobiel team waar ik voor werk ervaar ik zo.
 
Waar ligt dat aan?
Daar kan ik ook mijn vinger niet zo een twee drie op leggen.
 
Heeft het te maken met de manier waarop we over cliënten spreken?
Het is een soort bekommerd spreken. Er vallen weinig oordelende en weinig in categorieën-plaatsende uitspraken.
Er is veel besef dat situaties moeilijk kunnen zijn voor cliënten.
En ook voor collega’s.
Dat het leven soms te moeilijk is.
Speelt dat een (grote) rol? Misschien. Ik weet het niet.
 
 

Vragen

Tijdens een wandeling met onze Zeno (een lid van onze gezinsroedel), kwamen rond dit thema een reeks vragen bij me op.
 
Het werk van psychosociale hulpverlener vraagt wat van een mens:
 
  • Dat je je open stelt voor een ander, voor haar leven, zijn pijn, haar verlangen, zijn angst. Dat soort openheid … wordt dat ondersteund binnen je werkcontext? Of net niet?
  • Er is niet enkel wat er in het gesprek gebeurt. Ook na het gesprek gebeuren er verder dingen, in jou, er vallen je dingen in. Belangrijke dingen vaak. Is daar ruimte voor? Of moet je als-een-machine de ene na de andere ‘afwerken’? (Het ‘afwerken van klanten’, is dat geen uitdrukking uit de wereld van de prostitutie?)
  • Het leven en de mens en de realiteit van ontmoetingen is van die aard dat je als hulpverlener regelmatig in een positie komt dat je het niet weet. Je vraagt je af wat het is dat je kan doen. Je moet daarmee (kunnen) rondlopen. Wordt dit erkend binnen je team? Mag je daarmee rondlopen? Of hangt er een waanachtige overtuiging in de lucht dat niet-weten een gebrek aan kennis/competentie is? Of wordt er een concurrentiestrijd gevoerd: wie is de competentste onder ons?
  • Cliënten zijn geen wandelende hulpvragen die zich laten aansluiten op een interventie. Ze dwalen, zoeken, lijden, stamelen, hopen wijs te geraken uit verwarrende gedachten, gevoelens, neigingen, herinneringen, verlangens. Kan je hen de ruimte bieden om op verhaal te komen? Of wordt hier schamper over gedaan? Wordt er een soort stoer interventionisme beleden? Speelt er een Bob-de-Bouwer-visie? (Bobs leus is “Kunnen wij het maken?!”, waarop de machines in koor roepen: “Nou en of!”)
  • Krijgt administratie een dienende rol, of slorpt het tijd en energie op ten koste van het kern-werk? Vreet het cognitieve en hart-capaciteit?
  • De systemen: dienen ze het werk? Of eisen ze gehoorzaamheid?
  • In ons professioneel veld gebruiken we concepten, categorieën, vormen van beoordeling, methodieken. Die helpen met denken en handelen. Ze verworden soms tot geweld. Wanneer worden concepten geweld? Wanneer worden methodieken geweld? Wanneer wordt het najagen van doelen geweld? Wanneer wordt feedback geweld? Wanneer wordt overleg geweld? … Hier kan veel over gezegd worden. Is er geen sprake van geweld wanneer mensen zich verdrukt, bang, klein, incompetent, tot zwijgen veroordeeld voelen? Geweld dat niet herkend wordt als geweld, werkt dat anders?
  • Wanneer er over cliënten gesproken (en geschreven) wordt op een objectiverende manier, als over objecten, op een manier waarbij ze zich klein en vernederd zouden voelen mochten ze het horen, ontstaat er dan onveiligheid tussen de collega’s?
  • Wat hebben we nodig in onze werkcontext dat ons vermogen tot mededogen, meevoelende verbondenheid met de ander, ondersteunt? Of wat is er nodig opdat dat vermogen tenminste niet kleiner gemaakt wordt?
  • Wat is er nodig opdat teamvergaderingen de nodige veiligheid kunnen bieden voor alle deelnemers, om aanwezig te kunnen zijn in en vanuit hun eigenheid? De ene luid en met veel woorden, de ander stil. De ene met jargon, de ander met gewone taal. De ene to-the-point, de ander via slingerwegen, associatief.
 
 

Een vraag voor jou

Ik heb psychologie gestudeerd. Ik heb psychotherapie-opleidingen gevolgd.
Maar ik heb nooit geleerd om zorgvuldig te detecteren wanneer de werkomgeving te vervuild en vervuilend aan het worden is. Om erover na te denken.
Ik heb er geen helder kader voor/over.
 
Ik wil jouw bijstand vragen om hier wijs uit te worden.
Heb jij ervaring met toxische of weldoende werkcontexten? Wat is volgens jou 1 factor/ingrediënt die daar een rol in kan spelen? (of 2)
 
 
Vriendelijke groeten,
Johan Van de Putte
 
 
PS Voel je vrij om te reageren via toxischewerkcontext@gmail.com.
 

Nieuwsbrief

Een mailtje na een nieuw artikel?

Schrijf je uit wanneer je wil. Powered by ConvertKit